Vandaag was voor een groot deel van de groep de een na laatste dag en det betekent terug reizen richting vliegveld Entebbe. Michel en ik reizen vanaf zaterdag samen door, maar de vrijwilligers gaan op zaterdag allemaal weer terug. Michel en Lotte, zijn vriendin, vonden het leuk om nog een avondje met z’n tweeen samen te zijn, omdat ze elkaar daarna 3 weken niet zouden zien, dus ik besloot met de vertrekkers mee te gaan. Een deel van de groep ging met de bus from hell naar Kampala, terwijl Jetske, Stijn en ik met onze chaufeur Sander meegingen naar de backpackers lokatie van Sander in Kampala. Vanaf daar gingen we met de zogenaamde ‘boda boda’ naar een cafe waar ze volgens de anderen werkelijk briljante cappuchino hadden. Ik heb het niet gedronken dus weet het niet. De boda boda is een van de vervoersmiddelen in Uganda, en komt er op neer dat je achterop een motor/brommer stapt en je laat vervoeren naar je lokatie. Ook in Zuid-Europa een bekend verschijnsel, en zeer effecitief als het heel druk is in de stad. Je moet wel een beetje opletten met de nogal warme uitlaat zoals Lotte pijnlijk merkte.
Het centrum van de stad zorgt voor een nieuwe verrassing. Tot nu toe kreeg ik de indruk dat geheel Uganda nogal primitief was naar Westerse maatstaven, maar de hoofdstad bleek toch veel meer westers dan ik verwacht had. Zo had je, je verwacht het niet, hier een echte stoep ipv zand, en zelfs een flink aantal hoge gebouwen. Allemaal van banken, dat spreekt voor zich, maar toch, het begin is er. En ik spotte zelfs 2 keer zo’n groot reclamescherm. Helaas komt deze welvaart ook met de ellende die erbij komt: enorm veel auto’s in de file, en smog die je kon proeven, zo smerig. Maar toch leuk om even te zijn. Na een korte wandeling door het centrum gaan we weer verder, naar een nieuw hoogtepunt: de vertrekplaats van de matatu’s. De vertrekplaats zelf was een extreem druk plein, waar alles en iedereen in ogenschijnlijke grote chaos door elkaar liep. Marktjes, supermarkten, auto’s, busjes en heel erg veel mensen, die ons allemaal aanstaarden omdat we blank zijn. Een prachtig gezicht, en ik heb weer flink foto’s genomen.
De matatu zelf is een busje waar in theorie en legaal gezien 14 mensen in kunnen, 4 rijen van 3, plus 2 voor in. De praktijk is echter dat het busje steeds zo vol mogelijk gestouwd wordt, dus dat kan als ik het goed begreep van zowel Jetske als Michel (ervaringsdeskundigen) oplopen tot 23 mensen, afhankelijk of er veel of weinig politiecontrole is die dag. Zoveel mensen past echter helemaal niet, dus dat wordt opgelost door mensen bij elkaar op schoot te plaatsen. En aangezien de stoeltjes zo gemaakt dat iemand van mijn lengte meteen helemaal klem zit, is dat niet bepaald een pretje. Gelukkig volgde ik Jetske die ruime Mutatu ervaring had en ging dus achterin zitten, waar het niet zo gemakkelijk was om iemand op schoot te krijgen, dus wij zaten veilig, dachten we.
Na een half uurtje voelde Jetske tot haar grote schrik iets aan haar been. Na een snelle zoektocht in de tassen naar een zaklamp bleek er een soort kip onder onze bank te liggen. Bij de eerste stop bleek wat er aan de hand was: er waren ook 5 kalkoenen ingeladen, die waren op de een of andere manier opgestapeld onder onze bank en die werden nu uitgeladen. Ik denk niet dat Marianne Thieme het hier helemaal mee eens is, maar effectief was het wel: de kalkoenen waren vervoerd. En Jetske had een halve hartverlamming, en ik grote lol.
Anyway, ik moet zeggen dat het een ‘bijzonder’ vervoersmiddel is, maar wel zeer effectief en snel, dus als je een beetje ervaring met die dingen hebt ben je zo ergens anders. We waren dus relatief snel, gezien het verkeer, in een nieuw backpackers hostel in Entebbe, waar de vrijwilligers ook gestart waren toen ze aankwamen. Na een koude douche, waar ik ondertussen aan gewend ben geraakt, nog even een biertje aan de bar, en we maken ons op voor de zaterdag: het vertrek van de vrijwilligers.